|
Gebouw Batavia

Gebouw Batavia, architect J.H. Slot. Gebouwd: 1918-1920
De gevelbeelden met aapjes en reliëfs van olifanten zouden
gemaakt kunnen zijn door Jaap Kaas, Johan Altorf en/of Jan Trapman:
|

|
Jaap Kaas
(1898-1972)
Na zijn academietijd leidde
Kaas aanvankelijk, tot eind 1924, een zwervend bestaan. In dienst van Monumentenzorg
werkte hij mee aan restauratieprojecten in het gehele land. Ook voerde hij
opdrachten uit ter versiering van de gevels van de vele nieuwe gebouwen die
na de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam verrezen, zoals het Tuschinski
Theater in 1920 en het Koloniaal Instituut in 1922.
Van 1925 tot 1936 behoorde
Kaas tot het groepje beeldhouwers dat in samenwerking met de architecten
van de Amsterdamsche School, en betaald uit het gemeentelijk steunkrediet,
de stad voorzag van anoniem bouwbeeldhouwwerk. Hij werkte veel in Artis en
maakte voor deze dierentuin onder andere een relief van de Oerang-Oetang
Sultan. Hij werkte er vrijwel dagelijks en kreeg dan ook de officieuze
titel "beeldhouwer van Artis". Met Altorf en Mendes da Costa
deelde Kaas de voorliefde voor de aap als hoofd-motief.
|
|
Jaap Kaas is bij uitstek een
beeldhouwer en tekenaar van dieren geweest. Hij was een uitnemend kenner
van de dierlijke anatomie, en het skelet speelt een grote rol in zijn werk.
In de uiterlijke verschijningsvorm van de dieren lag voor hem de
karakteristiek van hun wezen besloten.
Door zich te beperken tot de
exacte weergave trachtte hij het innerlijk leven van de dieren uit hun
vormen naar boven te halen. Daarmee overschreed hij de grens van het pure
realisme en bereikte hij een realisme dat leidde tot de expressie van de
symboliek die de lichamen van de dieren in zich bergen. In zijn dierkunst
komen begrippen als eenzaamheid, hartstocht en wil tot bescherming tot
leven.
|

Johan Altorf (1876-1955)
Altorf heeft het vak van onderaf geleerd, hij is als
werkman-beeldhouwer begonnen en heeft zich langzamerhand gevormd. Zijn grenzen
waren volgens H.P. Bremmer (1871-1956, kunstkenner, -docent, -bemiddelaar) de
dierplastiek. Altorf maakte vooral gestileerde dieren, zijn voorkeur lag bij
apen, papegaaien en uilen. Zijn dieren zijn altijd wat gespannen: ze kijken
bedrukt of dreigend.
Jan Trapman (1879-1943)
Trapman behoorde tot de kring van kunstenaars die
dierentuin Artis tot inspiratiebron had gekozen. Een brug in stadsdeel de
Baarsjes (Jan van Galenstraat / Admiralengracht, brugnummer 381) wordt
gesierd door een ijsbeer en tijger van Trapman, een groep pinguins afkomstig
van dezelfde brug is in het Beatrixpark terecht gekomen. Een gevelsteen met
kangeroe siert een huis in Oud-Zuid.

|
Mendes da Costa (1863-1939)
is de nestor van de Nederlandse dierbeeldhouwkunst. Aan het begin van de
twintigste eeuw nam hij veelvuldig het dier tot onderwerp. Met zijn zwager,
de graficus Samuel Jessurum de Mesquita (1868-1944) was hij regelmatig
bezoeker van Artis. Het zijn vooral de apen, waaronder mandrils, maki’s en
bavianen, die in de dierplastieken van Mendes een grote rol spelen. Vanwege
deze dierfiguren werd hij in 1914 doctor honoris causa in de biologie van
de Rijksuniversiteit Groningen.
In 1912 verhuisde hij naar
Laren en was het gedaan met het diermotief, na zijn terugkeer naar
Amsterdam in 1925 maakte hij nog twee dierplastieken. Daarom is het minder
waarschijnlijk dat hij de maker van de aapjes is.
|
Prins Hendrikkade 84-85
Foto’s: juli 2006
en (middelste foto’s) april 2010

Startpagina Buitenbeeldinbeeld
Buitenbeelden in
Amsterdam Centrum
Buitenbeelden
in Amsterdam: Flora & Fauna in
beeld
|